aprilvisdroom

gele brommerHet verlangen om te reizen, om verre oorden te verkennen, waar wellustige superieure elementen van het vrouwelijke geslacht ons met open benen ontvangen. Als een nummerloze gek op zoek naar de spruitende vrijheid, als een kind onschuldige droomkastelen bouwend, waar dromen realiteit worden, dimensies gevuld als een slagroomtaart met frivole ridders die echte idealen verdedigen, loensende jonkvrouwen die echt trouw zijn, daar waar een mens zich nog aan het klare bronwater kan laven, waar de mensen nog kunnen lachen en zingen… zo stond ik met drie vrienden, één ouder dan ik, één net zo oud en de laatste was nog een kind van alle leeftijden, allen klaar om te vertrekken, een driemanschap met lege handen. Wie was vader of kleinkind… ik was allen, een speling van de ongelimiteerde inspiratie… altijd iemands kind, altijd iemands vader en/of grootvader. Eeuwig jong omdat tijd niet rechtlijnig kan zijn. We sprongen dansend in het rond… om het verslindende vuur, dat gulzig ons de bekrompenheid van het vel likte. Weg was de moeheid veroorzaakt door het eindeloze dwalen door dit met schuld belaste ondermaanse oord. Weg was de moeheid veroorzaakt door de overvloedige gegeselingen met verwijten en veroordelingen. Genoeg van alle vuiligheid, eenheidsworst die nooit meer zal vergaan… daarom moest ik weg.

Eerst verzonnen we een koets zonder pracht of praal, maar de paarden konden zich niet naar de plooien schikken en galoppeerden gedreven door panische angst de vallei van cultuur en traditie weer in, die lag er nu kaalgeslagen en verkaveld bij… volgebouwd met gelijkvormigheid. Dan maar een tweedehandse kar, die niet starten wou… maar geen tegenslag kon ons weerhouden, we zochten zonder besef van tijd en ruimte in het ongebreidelde fantastische kreupelhoutland waar dromen vanonder het gebladerte loeren.

In een droom heeft elke mens het geluk om lang te leven en te fantaseren tot hij een uitweg ziet en zo vond één van mijn kompanen een stel gele aftandse brommertjes, waarmee nozems door de zwoel Mediterrane straatjes razen, por buen camino, in een taal die we niet konden verstaan, op zoek naar inzicht die een mens alleen kan vinden op zijn persoonlijk pad, een pelgrimstocht door een onbekende woestijn. We zagen onszelf zwevende over de vier bergketens, gezeten op de drie snorrende ondingen bergop, dal in en weer verderop.

Maar zelfs in dromen domineert soms de achterbakse routine. We bromden door de galerijen van elk instituut waar ik ooit mijn broek heb versleten, zalen en lokalen waar voor de jonge onschuld enkel het conformisme blijft, jonge kinderen zaten onverstoord met een wazige blik voor zich uit te staren, naar zwarte leeg-holle borden, terwijl we de leerkrachten opjaagden en ze de trappen op en weer afdreven, als hondsdol vee, gestraft voor hun kortzichtig verlangen om onze jeugd te verknechten. Als een drieste wraakengel de overweldigende droefheid beheersend, veroorzaakt door de vunzig eentonige ellende die ik zovele jaren met me heb meegezeuld… krachtdadig beslissend om ze eindelijk in mijn dromen achter me te laten… zodat ik eindelijk lichtvoetig verder kan, geleid door de ongebreidelde inspiratie van onze al-inspirerende heer, den duivel. Om in een iconoclastische orgie van kosmisch oergeweld… in zijn volle glorie het altaar van de één- dimensionale meiachtenzestig-generatie aan diggelen te trappen.

M’n tong is nog kleverig van de slaap, toch mompel ik : “Met figuren die zich halsstarrig blijven verzetten en zich maar niet willen aanpassen is het dubbel opletten of een mens wordt nog besprongen door een uitgehongerd scharminkel.”

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s