op m’n handen staan en springen deel 4

“Je weet hoe je de ogen moet sluiten, maar weet je hoe en wanneer je de ogen sluit om in te slapen? Je kan de andere kant nu niet meer ontkennen, nu je weet wie het wiel doet draaien. Zo is het altijd geweest, zo zal het altijd zijn, nu en ook de dag na morgen. Doe vanaf nu wat je moet doen en luister nooit meer naar zij die je willen vertellen wat je hoort te doen.”

“Ok???”

‘Wanneer ik die morgen wakker werd wist ik dat het tijd was, het was nu of nooit.’

 

Do What Thou Wilt

dream solution for Yugoslav Wars

Advertisements

op m’n handen staan en springen deel 3

“Je spot maakt je blind en doof. Wanneer onder boven is en boven onder hoef je enkel jezelf om te draaien.”

Ik kijk naar mijn handen. “Ja, zet je handen op de grond, zo!” Hij raakt heel even de stoffige vloer en even later kijk ik hem recht in de ogen, maar zijn voeten hangen aan de zoldering terwijl ik gewoon op de grond sta. Ik buig me voorover, en even later sta ik naast hem in de bron te kijken. “Was toch niet zo moeilijk?”

“Moeilijk niet neen, maar wel onmogelijk.”

“Onmogelijk? Ben je klaar?” Hij geeft me een duw en ik val door stille water. Wanneer ik overeind kom sta ik blootsvoets in mals paars gras. Paars? Het licht is helder en sterk. Zonnestralen druppelen op duizenden fel gekleurde bloemen. Wat verder stroomt zacht een kardinaalrood beekje, gouden kikkers en zilveren vogels ontwaken, samen kwaken en zingen ze een opwekkende symfonie. Het gras onder m’n voeten maakt golvende bewegingen op maat van het gezang. Tijd heeft zijn betekenis verloren, als door een caleidoscoop kijk ik vrolijk om me heen als in een kleurenbad gedompeld. Ik kan geen wolkje bespeuren wanneer er plots vlokjes uit de hemel vallen, eerst langzaam dan steeds heviger en sneller. Zilver schitterende kristallen dwarrelen neer. De vlokken voelen vreemd droog aan. Droge sneeuw? Mijn benen beginnen te dansen als een kind op een onzichtbaar sneeuwtapijt. Ik ren, de vlokken verblinden me, langzaam raakt alles verzadigd van de vlokken. Vreemde dingen gebeuren hier! De storm neemt apocalyptische proporties aan wanneer ik blind door de gulzige bloemen, acrobatische struiken en plastische bomen ren. Ik heb alle zin voor werkelijkheid verloren. Eindeloos zwerf ik doelloos door de tuin tot ik een vage schim in de verte kan ontwaren. Een oude vrouw wenkt me om naast haar te komen zitten. Haar eeuwenoude gerimpelde grimas maakt me onzeker, maar haar stem zo vriendelijk overtuigt me m’n weerzin te overwinnen. Aarzelend vraag ik of zij de droge sneeuw ook kan zien. Ze lacht. “Natuurlijk zie ik de sneeuw.”

“Dus de sneeuw is echt? Waarom is hij dan niet nat? Waarom verdwijnen de vlokken als ze de grond raken? Of is het geen echte sneeuw?”

“Je vergist je jonge man, de vlokken zijn daar, voor jou is het sneeuw… de vlokken zijn daar en vanaf nu zullen ze daar altijd zijn.”

Ik voel me nog meer verward, ik kan er geen touw aan vastknopen. “Waarom kan ik dit niet begrijpen? Waarom kan ik de oude indiaan maar niet begrijpen. Iedereen spreekt in raadsels, al wat ik zie tart de wetten van de fysica.”

“De vlokken zijn echt, net zo echt als jij en ik. Maar de vlokken zijn er niet voor jou, maar door jou. Ze hebben hun plaats gevonden dankzij jou.

“Dit wordt er niet beter op, hoe meer jullie vertellen des te minder ik ervan begrijp. Waar zijn die vlokken van gemaakt? Ze zijn zeker niet uit bevroren water. Al wat hier gebeurt is onmogelijk. Water hangt niet aan de zoldering. Het lijkt op radioactieve fall-out.” Angst slaat me om het hart, moet ik schuilen onder een witgeschilderde tafel?

Ze lacht net zo raadselachtig als de vorige keer. “Het is sterrenstof, een cadeau van jou aan de tuin. En daar zijn we je allen dankbaar voor. Alle energie, die de witte man van de aarde heeft gestolen, brutaal gulzig en totaal onnodig dringt nu weer in het land. Dankzij jou kan het weer terugkeren. Maar het kan enkel weer vallen wanneer het kan voeden daar waar het nodig is. Jij kan het land weer klaar maken. Overal waar jij gaat zal het land klaar zijn om het te ontvangen. Ga, de tuin is klaar om je te ontvangen.”

summer 1978

Zonder de betekenis van haar woorden te kunnen doorgronden voel ik me onbeschrijflijk gelukkig. “Je bent een goede mens en om je te bedanken zal ik je terug leiden naar de bovenwereld.” Samen lopen we tot bij een grote regenboog. “Kijk je hoeft enkel door de boog te stappen en je bent weer thuis.” Ik steek mijn hand uit om haar te bedanken maar ze is plots verdwenen. Onder de regenboog wordt ik bedolven door nog meer zilveren vlokken, die mysterieus aan me blijven kleven. Ik wrijf het stof uit m’n ogen en zit weer naast de indiaan aan een kampvuur. “Man wat was dat allemaal?”

“Dat mijn jonge vriend is de kern van het bestaan, alle waarheid zit erin opgeborgen en ook al zullen de wonden nooit helemaal genezen, ze zal je vanaf dit moment altijd en overal volgen zolang je trouw aan haar blijft. Doe je dat niet dan sta je er terug alleen voor”

“Wie is zij, en hoe moet ik weten hoe haar trouw te blijven?

op m’n handen staan en springen deel 2

“Naar boven en dan weer naar beneden, dat is de enige weg. Er is niets meer daar waar je jezelf hebt achtergelaten. Nu kan je niet meer terug, dus zwijg en spaar je energie.” We zetten de beklimming in stilte verder tot we plots voor de opening van een grot staan. “Nu mag jij voorgaan, dit is jouw pad, niet het mijne.” Hij stapt opzij om me door de nauwe opening te laten kruipen. Ook al was het al flink afgekoeld binnen is het nog veel koeler. De haren in mijn stijve hals gaan rechtop staan. De lucht in de grot lijkt te vibreren op een onbekende toonhoogte. Wanneer hij ook binnen is vraag ik hem wat we hier gaan doen.

“Wij niets, zoals ik al zei dit is jouw pad, niet het mijne, ik ben hier al geweest. Het is beter om een sterke band met de mythe dan met de herinneringen uit je verleden te hebben. Laat al wat je kent hier achter en ga met een open geest. Hier zal je zelfs de tijd vergeten, al wat jij toekomst noemt is hier onbestaande. Hoor je het?”

“Hoor ik wat?”

Hij glimlacht. “Ga verder, ik heb op jou gewacht omdat ik wist dat je op tijd zou komen, zij kunnen niet wachten want hun tijd loopt trager dan de jouwe.”

“Wat zeg je allemaal, ik begrijp niets van al wat je daar zegt.”

“Dat is nu niet erg, ga!”

Ik strompel door de donkere gang, tast of de zoldering hoog genoeg is en weet vaak op het nippertje een hard uitsteeksel te mijden. Zonder licht en zonder tijdsbesef lijken we een eeuwigheid door de grot te zwerven. Ik weet niet of we afdalen of stijgen, alle gevoel voor realiteit verdwijnt met elke stap die ik zet. Ik aarzel.

“Je wandelt van nu naar de aanvang, je hebt heel je leven in duisternis gewandeld. Aanvaart de reis.”

“Maar het is hier te donker, het is hier te stil.”

“Zet je ene voet voor de andere, stap over je obstakels, beleef je angsten voor de tweede maal, maar dan bewust. Je kan je verleden niet vergeten, maar je kan de toekomst wel een zin geven. Je bent hiervoor geboren, je kan deze reis niet niet maken, je kan niet ontsnappen. Aanvaard je eenzaamheid, omhels je angst. Ga, ze wacht op je.”

We zetten onze tocht verder en als bij wonder bereik ik zonder het hoofd te stoten een open ruimte. Er heerst een serene sfeer in de zaal, een waterval klatert rustig van de wand aan de overzijde. Ik hoor de regen, maar kan hem niet zien. Ik voel de wind, maar m’n haren bewegen niet. “En nu? Is dit het einde van onze reis?”

“Het einde? Neen, dit is het begin, hier begint alles zonder einde.”

Mijn geest gaat krampachtig op zoek naar een logische verklaring voor zijn woorden. De wereld ergens boven me daagt me uit, ik ben bang in deze benauwde ruimte. “Maar we kunnen niet verder, het pad eindigt hier. Zijn we verkeerd gelopen?”

“Kijk, zeg niet zo snel vaarwel aan de mogelijkheden. Kijk en volg de stem diep in je ziel. Je kan eindelijk jezelf zijn. Wees jezelf, luister en kijk. Vergeet al wat je weet.”

Ik staar in de ruimte, steek m’n hand uit en laat het zuivere water over m’n vingers lopen. M’n hand glijdt over de rand, alles graniet hard, zonder opening. Ik zit gevangen. Dit is het begin. Begin van wat? Ik kan alleen nog terug, weer door die angstwekkende duisternis. De grond is hard. “Kijk, volg de stem in je hart!”

Plots ontwaar ik een heldere opening boven onze hoofden. “Langs daar?”

Hij knikt, maar zegt geen woord. Ik tracht de stem te vinden waarover hij spreekt. Maar blijf doof. “Hoe komen we daardoor?” Het gat verandert in het spiegelende oppervlak van een bron. Het water tart de wetten van de zwaartekracht. “Droom ik? Heb je iets in het water gedaan dat je me hebt gegeven?”

upsidedown

 

“Misschien wel, maar er zat niets dan water in dat water.”

“Hou alsjeblieft op met je tergende antwoorden, ik ben niet zo goed in mystieke dingen. Ik kan niet in iets geloven dat ik niet kan begrijpen.”

“Dat is dan voortaan voorbij. Hier hoef je niets te begrijpen, je moet verder dat is alles. Jij en jij alleen kan deze reis maken. Vooruit ga verder.”

“Hoe kan dat nu, hoe kan ik daar komen, water kan niet tegen het plafond zweven of kleven. En ik kan niet vliegen of heb jij een onzichtbare ladder bij?”

op m’n handen staan en springen deel 1

… De weg is geblokkeerd. Honderden voertuigen staan stil. De hitte in de auto is ondraaglijk, ik moet weg, vluchten is de enige uitweg wil ik hier niet koken in eigen nat. De lucht is zwaar van de uitlaat van de auto’s en vrachtwagens, hun airconditionings staan op volle toeren te draaien. Als wezenloze schapen wachten ze op verlossing, op redding die deze maal niet zal komen. Aan de kop van de file staan enkele voertuigen te branden, dan is de snelweg verlaten en ben ik alleen. Niemand volgt me, helemaal op mezelf aangewezen begin ik te lopen, de hitte stijgt uit het asfalt en dringt door de zolen van mijn schoenen, die haast lijken te smelten. Ik begin te zingen. “summertime isn’t easy..” Ik voel me verpletterd tussen hamer en aambeeld, de meedogenloze straling van de zon die me op de schouders hamert en de doordringende hitte die via m’n voeten en benen langzaam maar zeker naar m’n wanhopige hart stijgt. Ik hoor geen sirenes en wanneer ik over m’n schouder kijk zie ik niemand uit zijn voertuigen kruipen. Ik wandel verder, plots herinner ik me de afspraak… ik ben te laat, ik sleep m’n getergde lijf verder, de zon draait en zakt maar mindert niet in intensiteit. Zou hij op me wachten? Rechts verlaat ik de snelweg, volg een slingerend pad tussen stekelige cactussen en zet koers naar de rode heuvels aan de einder. Na vele uren halfblind door het zand te hebben gestrompeld zie ik eindelijk het witte hutje. Hij zit op een krakkemikkig bankje, ooit netjes wit geschilderd. Ik ben moe, maar durf niet naast hem te gaan zitten. Ik doe m’n mond open om me te verontschuldigen. Hij lacht. “Je bent perfect op tijd. Open je handen en beeld je in dat je de zon kan grijpen.” Ik draai me in de richting van de zon die al aan haar afdaling begonnen is. En kan ze nog enkel seconden grijpen voor ze volledig achter de heuvels verdwijnt. “Voel je het? Het is niet moeilijk. Maar dat ontgaat jullie snelle mensen, is het niet?” Ik voel de energie, het is alsof de zon mijn batterijen in enkele seconden weer helemaal heeft opgeladen. “Hoe is dat mogelijk? Zoiets heb ik nog nooit gevoeld, ik dacht dat ik elk moment had kunnen flauwvallen. Het enige dat me nu nog ontbreekt is wat water, ik zou een rivier kunnen leegdrinken.”

“Ja hoe is dat mogelijk? Dat kan jij nu nog niet begrijpen. Rivieren leegdrinken… ja daar zijn jullie goed in.” Antwoordt hij mysterieus terwijl hij me een zak aanbiedt. Het lauwwarme water in de zak smaakt naar geitenstal.

“Dank je.”

“Zo dan ben je klaar om te vertrekken.” Hij veert op als een kind van zeven en vangt de beklimming over een pad vol keien aan. Hij beweegt langzaam, ongeduldig zou ik hem willen voorbijsteken, maar een onzichtbaar energieveld lijkt me telkens terug te duwen als ik hem te dicht nader. Hij kijkt niet achterom en spreekt geen woord, ik heb geen flauw idee wat onze bestemming zou kunnen zijn. “Waar gaan we naartoe?”

stuiterstenen

lichtjesHet is levensnoodzakelijk om verder te gaan dan verontwaardiging, schaamte of frustratie.
Zoals een kind het recht heeft om stenen in het water te smijten heeft elke mens het recht om woorden als stenen in het leven te smijten.
Wil je betekenis geven aan je leven dan moet je verder durven smijten en vooral smijten zonder te streven.
Want de meesten hopen hun steen te zien stuiteren.
Elke kring wanneer de steen het oppervlak raakt als een extensie van hun ego.

Maar het gaat niet om het oppervlakkige gestuiter, stenen moeten naar de diepte breken.
Het oppervlak breken en als een Niagarawaterval woest exploderen, maar dan van onder naar boven.
Niet van binnen naar buiten.

gelukkig was de kelder te klein

Altijd hetzelfde, alles een herhaling, het aflopen van een eindeloos bandje
mijn oren fluiten, slechts de wind biedt wederstand… ik wil naar huis
ik wil niet naar huis maar kan nergens naartoe… straks wordt het donker
waar vind ik een warm bed, waar beleef ik mijn dromen

dan weer die angst voor ik naar bed ga,
wordt morgen weer een herhaling van vandaag
ik luister naar de stemmen van de nieuwslezer,
ik ben nog te klein om alles te begrijpen,
dus sturen ze me naar boven, want de kelder is te klein

maar de slaap wil niet komen de herinnering aan vandaag scheurt mijn slaap aan flarden
een boosaardige kalfskop is overtuigd van mijn ongelijk, want ik heb altijd ongelijk
hij de meester ik de slaaf, ik beeld me in  sterker te zijn
ik heb angst als ik nu een mes zou hebben zou ik hem in de rug steken

maar nu was toen,  zoveel jaren terug… mijn hoofd vol herinneringen
die stinken als de vaat in het stilstaande eeuwenoude sop
toen liep de wekkerradio altijd te vroeg af, ik heb nooit de tijd gehad om bij te slapen
want ook die nacht had ik van kleuren gedroomd,
kleuren die de grijsheid van mijn bestaan nooit zouden verdrijven